
Jan Meyer woont nu al sinds jaren in Frankrijk en heeft daarom in lange tijd niet meer in Nederland geëxposeerd. Het verblijf in frankrijk, het contact met bevriende kunstenaars, mar ook de loop der jaren hebben Jan Meyer's werk rijper en bezonkener doen worden. Het is goed dat zijn Nederlandse vrienden van deze laatste ontwikkeling, die stellig een groei is, kunnen kennis nemen.
Meer nog dan bij zijn vroegere werken krijgt de oppervlakkige beschouwer de indruk van doeken, die in een spontane opweeling zijn ontstaan. Die indruk is een miskenning van Jan Meyer's benadering, en doet daarom het werk in wezen onrecht aan. Deze doeken zijn ontstaan in een soms lange, soms herhaaldelijk onderbroken worsteling met een beeldende gedachte, met de mogelijkheden van picturale structuur, met kleur en verf - zij zijn geenszins het resultaat van een lange en geduldige oefening, die de kunstenaar tot een beheersing van zijn meesterschap door het doen heeft gebracht - net zo als een schermer zijn meesterscharp door het doen heeft verworven.
Spontaneïteit en beheersing - dat zijn de twee polen van de hedendaagse schilderkunst, en tevens de twee bronnen, waaruit Jan Meyer's groei en ontwikkeling is gevoed ; enerzijds komt hij van het Groningse expressionisme vandaan, door zijn Drentse herkomst en zijn vroege contacten met Werkman. Anderzijds hebben die zelfde Drentse jeugd en de vriendschap met Evert Rinsema - de volgeling en kameraad van Theo Doesburg - hem al vroeg in aanraking gebracht met het idealisme en de strenge, gedisciplineerde utopie van «de Stijl».
Jan Meyer's groei leidt telkens weer naar tweesprongen en hij oriënteert zich steeds weer naar zijn beide uitgangspunten : door zijn leeftijd wordt hij gedreven naar het expressionistische, romantische protest van een generatie, die net na de oorlog in opstand kwam tegen sleur een behoudzucht ; zijn werk in architectionisch verband ( ontwerp van wandschilderingen in een recreatiehal voor Amsterdam-Noord, prijsvraag 1955) dwingt hem tot een strenge beheersing, tot het overdenken van bestaande wetmatigheden. Telkens weer duikt de polariteit van zijn begin in zijn levensweg weer op.
Juist in de laaste jaren heeft zijn innerlijke groei hem tot een verdere stap in zijn werk geholpen : hij heeft, na veel vallen en opstaan, thans het stadium van volwassenheid in zijn werk bereikt. De spanning, de polariteit, die zich vroeger in een schoksgewijze afwisseling van verschillend geaarde doeken uitte, heeft nu een andere betekenis gekregen : het zijn dezelfde dromen van een zonniger wereld, die in zijn doeken gestalte aannemen, en het zijn de wolken, de angsten en twijfels die er hun schaduwen op doen vallen. Het zijn de oude kinderdromen, die thans in een volwassen taal tot schilderrijen worden - het is de schilder, die zijn naasten doet delen in zijn belevenissen, en voor deze medelingen zijn eigen taal heeft gevonden.
H. L.C JAFFÉ
Meer nog dan bij zijn vroegere werken krijgt de oppervlakkige beschouwer de indruk van doeken, die in een spontane opweeling zijn ontstaan. Die indruk is een miskenning van Jan Meyer's benadering, en doet daarom het werk in wezen onrecht aan. Deze doeken zijn ontstaan in een soms lange, soms herhaaldelijk onderbroken worsteling met een beeldende gedachte, met de mogelijkheden van picturale structuur, met kleur en verf - zij zijn geenszins het resultaat van een lange en geduldige oefening, die de kunstenaar tot een beheersing van zijn meesterschap door het doen heeft gebracht - net zo als een schermer zijn meesterscharp door het doen heeft verworven.
Spontaneïteit en beheersing - dat zijn de twee polen van de hedendaagse schilderkunst, en tevens de twee bronnen, waaruit Jan Meyer's groei en ontwikkeling is gevoed ; enerzijds komt hij van het Groningse expressionisme vandaan, door zijn Drentse herkomst en zijn vroege contacten met Werkman. Anderzijds hebben die zelfde Drentse jeugd en de vriendschap met Evert Rinsema - de volgeling en kameraad van Theo Doesburg - hem al vroeg in aanraking gebracht met het idealisme en de strenge, gedisciplineerde utopie van «de Stijl».
Jan Meyer's groei leidt telkens weer naar tweesprongen en hij oriënteert zich steeds weer naar zijn beide uitgangspunten : door zijn leeftijd wordt hij gedreven naar het expressionistische, romantische protest van een generatie, die net na de oorlog in opstand kwam tegen sleur een behoudzucht ; zijn werk in architectionisch verband ( ontwerp van wandschilderingen in een recreatiehal voor Amsterdam-Noord, prijsvraag 1955) dwingt hem tot een strenge beheersing, tot het overdenken van bestaande wetmatigheden. Telkens weer duikt de polariteit van zijn begin in zijn levensweg weer op.
Juist in de laaste jaren heeft zijn innerlijke groei hem tot een verdere stap in zijn werk geholpen : hij heeft, na veel vallen en opstaan, thans het stadium van volwassenheid in zijn werk bereikt. De spanning, de polariteit, die zich vroeger in een schoksgewijze afwisseling van verschillend geaarde doeken uitte, heeft nu een andere betekenis gekregen : het zijn dezelfde dromen van een zonniger wereld, die in zijn doeken gestalte aannemen, en het zijn de wolken, de angsten en twijfels die er hun schaduwen op doen vallen. Het zijn de oude kinderdromen, die thans in een volwassen taal tot schilderrijen worden - het is de schilder, die zijn naasten doet delen in zijn belevenissen, en voor deze medelingen zijn eigen taal heeft gevonden.
H. L.C JAFFÉ